De toepassing van een Bibob-toets bij de toewijzing van woonwagenkavels heeft geleid tot kritiek. De zogenoemde Bibob-toets, waarbij de achtergrond van potentiële bewoners wordt onderzocht op criminele activiteiten, wordt door sommigen als discriminerend ervaren. Juridisch gezien is er echter geen sprake van discriminatie, mits de toetsing correct wordt onderbouwd.
De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) stelt overheidsinstanties in staat om de integriteit van bedrijven en personen te onderzoeken aan wie zij bijvoorbeeld een vergunning willen verlenen, een subsidie willen geven of een vastgoedtransactie mee willen aangaan. Het doel van de wet is te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. Door een Bibob-toets uit te voeren, kan de overheid zich een beeld vormen van de achtergrond van de betrokken partijen en eventuele risico's inschatten.
In de context van woonwagenkavels betekent dit dat gemeenten of andere instanties die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van deze kavels, een onderzoek kunnen instellen naar de potentiële bewoners. Dit onderzoek kan zich richten op de financiële situatie, het strafrechtelijk verleden en de relaties met andere personen. Als uit het onderzoek blijkt dat er een risico bestaat dat de woonwagenkavel gebruikt zal worden voor criminele activiteiten, kan de toewijzing worden geweigerd.
De kritiek op de Bibob-toets bij woonwagenkavels richt zich voornamelijk op het gevoel van discriminatie. Sommige mensen ervaren het als stigmatiserend dat zij, enkel en alleen omdat zij in een woonwagen willen wonen, aan een dergelijk onderzoek worden onderworpen. Zij stellen dat het een inbreuk is op hun privacy en dat het onterecht een negatief beeld schetst van woonwagenbewoners in het algemeen.
Juridisch gezien is er echter geen sprake van discriminatie, zolang de Bibob-toets op een correcte en objectieve manier wordt uitgevoerd. Dit betekent dat de toetsing gebaseerd moet zijn op concrete feiten en omstandigheden, en dat er geen sprake mag zijn van willekeur of vooroordelen. Bovendien moet de toetsing proportioneel zijn, wat inhoudt dat de inbreuk op de privacy van de betrokkenen in verhouding moet staan tot het beoogde doel, namelijk het voorkomen van criminele activiteiten.
Het is van belang dat gemeenten en andere instanties die een Bibob-toets uitvoeren, zich bewust zijn van de gevoeligheid van de kwestie en zorgvuldig te werk gaan. Zij moeten de betrokkenen duidelijk informeren over het doel en de procedure van de toetsing, en hen de mogelijkheid bieden om hun zienswijze te geven. Daarnaast is het van belang dat de toetsing wordt uitgevoerd door deskundige medewerkers die bekend zijn met de relevante wet- en regelgeving.
De discussie over de Bibob-toets bij woonwagenkavels laat zien dat er een spanning bestaat tussen het belang van de overheid om criminaliteit te bestrijden en het recht van burgers op privacy en gelijke behandeling. Het is aan de wetgever en de rechter om de grenzen van de Bibob-wet te bepalen en ervoor te zorgen dat deze wet op een rechtvaardige en proportionele manier wordt toegepast.