Het Nederlandse strafrecht is primair gericht op het berechten van daders en is niet ontworpen om volledig tegemoet te komen aan de behoeften van slachtoffers van ernstige geweldsdelicten. Dit leidt tot een situatie waarin recht spreken niet altijd als recht doen wordt ervaren door degenen die het slachtoffer zijn geworden van misdrijven.
De huidige inrichting van het strafrechtelijk systeem legt de nadruk op het vaststellen van schuld en het opleggen van straffen. Hoewel dit essentieel is voor de rechtsstaat, kan het voor slachtoffers ontoereikend zijn. Zij hebben vaak behoefte aan erkenning van hun leed, genoegdoening, en mogelijkheden tot herstel. Het strafproces biedt echter niet altijd ruimte voor deze aspecten.
Slachtoffers kunnen zich bijvoorbeeld gefrustreerd voelen als de straf die een dader krijgt in hun ogen niet in verhouding staat tot het aangedane leed. Ook kan het proces zelf, met de nadruk op bewijsvoering en juridische argumenten, als afstandelijk en onpersoonlijk worden ervaren. Dit kan het gevoel van onrechtvaardigheid versterken.
De discussie over de positie van slachtoffers in het strafrecht is niet nieuw. Er zijn verschillende initiatieven genomen om hun rechten te versterken, zoals het spreekrecht en de mogelijkheid tot schadevergoeding. Desondanks blijft er een kloof bestaan tussen wat het recht kan bieden en wat slachtoffers nodig hebben om hun leven weer op te pakken na een traumatische gebeurtenis. De focus ligt vaak op de dader, terwijl de behoeften van het slachtoffer onderbelicht blijven.